Nieuws

Jaap de Berg 50 jaar lid van Het Witte Paard

Jaap de Berg 50 jaar lid van Het Witte Paard (15/1/71–15/1/21)

Een interview

Theo Janssen verzorgde In de 70-er jaren van de vorige eeuw in ons clubblad “Haver” regelmatig een rubriek “In gesprek met . . . . . . . .”

In het nummer van juli 1973, het 5e van de 17e jaargang, was Jaap de Berg zijn ‘slachtoffer’. Onderwerp van dit gesprek was onder meer hoe Jaap bij Het Witte Paard was terechtgekomen. 
Dat, vertelde Jaap, gebeurde in januari 1971, na de verhuizing van het gezin De Berg naar Zaandijk.

 

Jaap werkte toen bij dagblad Trouw, waar hij vanaf zijn 17e in diverse functies werkzaam was in achtereenvolgens Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, Op de sportredactie vond hij het competitieboekje van de KNSB en zag dat in Koog-Zaandijk een behoorlijk sterke schaakclub was gevestigd. Hij had in die periode juist dagdienst, dus dat kwam goed uit.

Over zijn schaakgeschiedenis tot dan toe kwam de lezer te weten dat Jaap op ongeveer 13-jarige leeftijd van zijn vader het spel leerde, samen met zijn broer, tegen wie hij ook de meeste partijen in zijn leven speelde.

Zij deden een keer met redelijk succes mee aan de jeugdkampioenschappen van Rotterdam en zijn  team van de HBS werd in 1953 of zo 2e bij het Nederlands schoolschaakkampioenschap. Verder vluggerde  hij alleen thuis veel met zijn broer en speelde partijen na uit boeken. Dat was het wel zo’n beetje.

Een voorspoedige start

“Tenslotte een woord van welkom voor J. de Berg, die we een succesvolle klim op deze schaakladder toewensen.”

Aldus een commentaar bij de uitslagen van de interne competitie in ons clubblad van januari 1971.

In ronde 13 van de Keizercompetitie op 15 januari startte hij met remise tegen oud-voorzitter Gerrit van der Schoor. Een van diens laatste partijen, hij overleed in augustus van dat jaar.

Al korte tijd later won Jaap zijn eerste bondscompetitiepartijen in het derde en vierde tiental. Na 22 ronden eindigde hij zijn eerste seizoen in de interne als 23e van de 36 deelnemers. Aan het eind van dat seizoen won hij twee partijen in promotie-beslissingswedstrijden in de 3e klasse NHSB die door Witte Paard 3 werden gewonnen van Bergen en Assendelft. Na enkele overwinningen in de bondscompetitie luidde het commentaar in Haver: “Het Witte Paard heeft een nieuw talent! Nog geen jaar in verenigingsverband spelen en zulke resultaten.” Het seizoen 1971/72 beëindigde Jaap op de 4e plaats in de interne. In de 20e ronde daarvan vond mijn eerste duel met hem plaats: remise. De teller van onze ontmoetingen staat inmiddels op 50.

Terzijde

Een teller van het aantal keren dat ik met Jaap meereed naar uitwedstrijden of veteranentoernooien in Hoorn heb ik niet bijgehouden. Het waren er veel, met als drie ‘hoogtepunten’ het moeten verwisselen van een lekke band bij aanvang van een terugreis uit Volendam, het dolen door Haarlem na een al pratend gemiste afslag en een lichte aanrijding in Hoorn na een ronde van het veteranentoernooi. Voor al zijn ritten heeft Jaap, evenals trouwens alle andere chauffeurs, geen cent in rekening gebracht. Even een woord van hulde aan deze vrijwilligers.

Matige resultaten

Het gesprek met Jaap in juli 1973 begon Theo Janssen met de vraag hoe zijn matige resultaten in het afgelopen seizoen te verklaren waren. Hij kwam toen vanuit het derde, waarin hij uitstekend scoorde, in het eerste team. Dat speelde in de eerste klas KNSB. Jaap: “Ik geloof dat het ook een kwestie is van wedstrijdmentaliteit. Vaak staat na de opening mijn tegenstander beter, dan denk ik: hij verdient het eigenlijk om te winnen. . . . . . Ik heb nogal wat ontzag voor KNSB-spelers. . . . . Maar het is ook een kwestie van schaakvermogen en routine.”

Theo: “Had je het erg gevonden als je nu niet in het eerste was gekomen?” “Helemaal niet, het is niet leuk maar als ik in het tweede of derde was gekomen zou ik daarin met evenveel plezier gespeeld hebben.”

Veel gespeeld, ook nog even in bestuur

Die uitspraak heeft Jaap in de 50 jaar dat hij bondscompetitie voor Het Witte Paard speelde regelmatig onderstreept. Afwisselend kwam hij uit voor het 1e, 2e en 3e team. De helft van deze wedstrijden maakte hij deel uit van het 2e. De laatste jaren weer in het 1e.

In de interne competities, in vele vormen gespeeld, plaatste Jaap zich meestal bij de eerste 10 van de eindstand, met de 2e plaats als uitschieter. Een enkel seizoen moest hij van deelname afzien wegens drukte bij de krant. In 1992 nam Jaap het voorzitterschap over van Cor van Dongen, maar die taak moest hij na een jaar alweer beëindigen. Ook nu was zijn baan bij Trouw de oorzaak.

Haver

Veel tijd om met zijn journalistieke ervaring in ons clubblad te schrijven had hij kennelijk ook niet. Het bleef bij één artikel in Haver van september 1978 en een verslag van een jaarvergadering als ‘notulist ad hoc’.

Onder de titel “Meester tegen computer” beschreef hij in het artikel een weddenschap, in 1968 afgesloten door de Schotse IM David Levy met ene John McCarthy: “Geen computer kan mij komende 10 jaar verslaan.” In augustus 1978 deed Levy zijn woorden gestand door met 3½ -1½ te winnen van Chess 4.6. Of de computer nog revanche heeft kunnen nemen vermeldt Jaaps artikel niet. Dat kon hij toen ook nog niet weten.’)

Tenslotte

Na Jan Rot (sinds 1953) en Kees Dekker (sinds 1962) is Jaap nu ons derde lid dat de magische 50-jarengrens heeft overschreden. De volgende volhouder, binnenkort al aan de beurt, is hopelijk Jan Brink, die al in 1967 lid werd, maar er een kleine 5 jaar tussenuit was.

Al enkele seizoenen neemt Jaap niet meer deel aan de interne competitie, “je speelt steeds tegen dezelfde tegenstanders.” Voor het 1e achttal is hij dus nog steeds een gewaardeerde kracht. Ik hoop dat hij dat nog een poos volhoudt!

Jan Rot

‘) Op www.chessprogramming.org vond ik een pagina “The Levy Bet”, waarop te lezen valt:

“David Levy redeemed the bet ten years later, winning a match against Chess 4.7 in Toronto, 1978. He won a second 5 year bet in 1984, versus Cray Blitz, and then offered a price for the first computer chess team beating him. He finally got crashed 0-4 by Deep Thought in 1989.”